Edmund de Martelaar -Edmund the Martyr

Van Wikipedia, de gratis encyclopedie

Edmund
verlichting van Edmund de Martelaar die met pijlen wordt beschoten
Verlichting van de onthoofding van Edmund de martelaar
Het martelaarschap van Edmund: Folio 's 14r en 14v uit de 12e eeuw Passio Sancto Eadmundi ( Morgan Library & Museum, New York)
Koning van de Oosthoeken
Bestuur c. 855 – 20 november 869
Voorganger "thelweard"
Opvolger Oswald
Geboren c.  841
Ging dood 20 november 869
East Anglia

Edmund de Martelaar (ook bekend als St. Edmund of Edmund van East Anglia, overleden 20 november 869) was koning van East Anglia van ongeveer 855 tot aan zijn dood.

Er zijn maar weinig historische feiten over Edmund bekend, aangezien het koninkrijk East Anglia werd verwoest door de Vikingen, die elk hedendaags bew van zijn heerschappij vernietigden. Munten geslagen door Edmund geven aan dat hij Æthelweard van East Anglia opvolgde, aangezien ze dezelfde geldschieters deelden . Men denkt dat hij van Oost-Anglian afkomst was, maar schrijvers uit de 12e eeuw produceerden fictieve verhalen over zijn familie, opvolging en zijn heerschappij als koning. De dood van Edmund werd vermeld in de Anglo-Saxon Chronicle, waarin wordt vermeld dat hij in 869 werd gedood nadat het Grote Heidense Leger East Anglia was binnengevallen. Middeleeuwsversies van Edmunds leven en martelaarschap verschillen van mening over de vraag of hij stierf in de strijd tegen het Grote Heidense Leger, of dat hij stierf nadat hij was gevangengenomen en vervolgens de eis van de Vikingleiders weigerde om Christus af te zweren.

Na de dood van Edmund ontstond een populaire cultus en hij werd heilig verklaard door de kerk. Een reeks munten ter herdenking van hem werd geslagen rond de tijd dat East Anglia in 918 werd geabsorbeerd door het koninkrijk Wessex, en rond 986 schreef de Franse monnik Abbo over zijn leven en martelaarschap.

Tijdens de 10e eeuw werden de overblijfselen van Edmund vertaald van een niet-geïdentificeerde locatie in East Anglia naar Beodricesworth (modern Bury St Edmunds ); ze werden in 1010 tijdelijk naar Londen verplaatst voor bewaring. Edmunds cultus bloeide tijdens de vroege en hoge middeleeuwen, en hij en Edward de Belijder werden beschouwd als de beschermheiligen van het middeleeuwse Engeland totdat ze in de 15e eeuw werden vervangen door Sint-Joris . Middeleeuwse manuscripten en kunstwerken met betrekking tot Edmund omvatten Abbo's Passio Sancti Eadmundi, John Lydgate 's 14e-eeuwse leven, het Wilton -diptiek en een aantal kerkmuurschilderingen .

Koning van de Oosthoeken

Toetreding en heerschappij

Het koninkrijk van de East Angles

Het bestaan ​​van Edmund is bekend van munten die zijn geslagen door zijn geldschieters, van wie er drie - Dudda, Eadmund en Twicga - munten sloegen voor Edmunds voorganger, Æthelweard, wat suggereert dat er een soepele machtsovergang plaatsvond. De vroegste documentaire verwijzing naar Edmund is in de 870 annal van de Anglo-Saxon Chronicle samengesteld 20 jaar na zijn dood. Volgens de historicus Susan Ridyard, werd Edmund geboren c.  841 en toegetreden tot de East Anglian troon in c.  855 . Er is niets bekend van zijn leven of heerschappij uit hedendaagse geschreven bronnen. De verwoesting in East Anglia die werd veroorzaakt door de Vikingen vernietigde alle charters die mogelijk naar Edmund verwezen.

Edmund kan niet in een heersende dynastie worden geplaatst. De 10e-eeuwse Franse monnik Abbo van Fleury verklaarde dat Edmund ex antiquorum Saxonum nobili prosapia oriundus was, wat volgens Ridyard "waarschijnlijk Abbo's nogal uitgebreide manier was om te zeggen dat hij afstamde van de oude adel van zijn ras".

Tijdens zijn bewind werden verschillende munten geslagen door Edmunds geldschieters. De letters AN, wat staat voor 'Anglia', verschijnen alleen op de munten van Edmund en Æthelstan, een andere 9e-eeuwse koning van de East Angles; de letters verschijnen op Edmunds munten als onderdeel van de uitdrukking + EADMUND REX AN[GLORUM] ("Edmund, koning van de hoeken"). Edmunds latere munten luidden + EADMUND REX ("Edmund, King"). Anders is er geen chronologie voor zijn munten bevestigd.

Dood en begrafenis

Tientallen jaren na de Vikingaanval op Lindisfarne in 793 waren hun aanvallen op Engeland voornamelijk aanvallen op geïsoleerde kloostergemeenschappen . Volgens de Annales Bertiniani en de Anglo-Saxon Chronicle vond een grootschalige aanval plaats in c.  844 . Tegen het einde van het decennium waren de Vikingen begonnen te overwinteren in Engeland. Een nog grotere strijdmacht, bij de kroniekschrijvers van de Anglo-Saxon Chronicle bekend als de mycel heiden hier (' Great Heathen Army '), verscheen in 865. Drieduizend man op honderden schepen arriveerden voor de oostkust van Engeland, waarschijnlijk vanuit bases in Ierland . De eerste winter van het leger werd doorgebracht in East Anglia voordat ze verder trokken en tegen 866/867 in Northumbria aankwamen. Het Grote Heidense Leger viel Mercia eind 867 aan en sloot vreedzame afspraken met de Mercianen; een jaar later keerden de Vikingen terug naar East Anglia.

De Anglo-Saxon Chronicle, die in het algemeen weinig zaken beschreef met betrekking tot de East Angles en hun heersers, vertelt dat "hier het leger over Mercia naar East Anglia reed en winterkwartieren innam in Thetford; en die winter vocht koning Edmund tegen hen, en de Denen namen de overwinning, en doodden de koning en veroverden al dat land". Waar Edmund sneuvelde en of hij in de strijd sneuvelde of daarna door de Denen werd vermoord, is niet bekend. Het Grote Heidense Leger viel Wessex eind 870 binnen, waar ze werden geconfronteerd met Æthelred van Wessex en zijn broer, de toekomstige Alfred de Grote .

Edmund werd begraven in een houten kapel in de buurt van waar hij werd vermoord. Op een datum die door historici algemeen wordt aangenomen tijdens het bewind van Æthelstan, die in 924 koning van de Angelsaksen werd, werd Edmunds lichaam overgebracht van Haegelisdun - waarvan de locatie nooit definitief is vastgesteld - naar Beadoriceworth, nu modern Bury Sint Edmunds . In 925 stichtte Æthelstan een religieuze gemeenschap om het heiligdom van Edmund te onderhouden .

Herdenkingsmunten

foto van een St. Edmund munt
Een St Edmund herdenkingspenny ( British Museum )

Na de dood van de Deense Guthrum, koning van East Anglia, rond 890, begonnen dezelfde geldschieters die zijn munten hadden geslagen geld te produceren ter nagedachtenis aan Edmund. De munten, waarvan het ontwerp was gebaseerd op de munten die tijdens het bewind van Edmund werden geproduceerd, vormen het vroegste bew dat hij als een heilige werd vereerd. Op alle centen en (meer zelden) halve centen die werden geproduceerd, stond SCE EADMVND REX — 'O St Edmund de koning!'. Sommigen van hen hebben een legende die het bew levert dat de Vikingen experimenteerden met hun oorspronkelijke ontwerp.

De herdenkingsmunten van St. Edmund werden in grote hoeveelheden geslagen door een groep van meer dan 70 geldschieters, van wie velen afkomstig lijken te zijn van continentaal Europa; meer dan 1800 exemplaren werden gevonden toen de Cuerdale Hoard werd ontdekt in Lancashire in 1840. De munten werden veel gebruikt binnen de Danelaw . Ze zijn voornamelijk gevonden in het oosten van Engeland, maar de exacte locatie van de pepermuntjes waar ze vandaan kwamen, is niet met zekerheid bekend, hoewel wetenschappers hebben aangenomen dat ze in East Anglia zijn gemaakt.

Verering

Cult in Bury St Edmunds

Heilige Edmund de Martelaar
middeleeuwse illustratie van het heiligdom van Edmund
John Lydgate bidt bij het heiligdom van St. Edmund, uit een folio van Lives of SS Edmund and Fremund ( British Library )
vereerd in Rooms-Katholieke Kerk
Anglicaanse Communie
grote heiligdom Bury St Edmunds, verwoest tijdens de ontbinding van de kloosters
Feest 20 november
attributen Een pijl of een zwaard, een handbol en scepter, wolf
patronaat Koningen, pandemieën, wolven, slachtoffers van martelingen, bescherming tegen de pest

Edmunds cultus werd gepromoot en floreerde, maar nam af, toen de productie van St. Edmund-munten stopte rond 910. De heilige verscheen niet meer in liturgische kalenders vanaf de 9e eeuw tot de verschijning van abt van Fleury's Passio Sancti Eadmundi drie eeuwen later. In 1010 werden de overblijfselen van Edmund overgebracht naar Londen om ze te beschermen tegen de Vikingen, waar ze drie jaar werden vastgehouden voordat ze werden teruggebracht naar Bury.

De Deense koning Knoet, die vanaf 1016 over Engeland regeerde, bekeerde zich tot het christendom en speelde een belangrijke rol bij de oprichting van de abdij in Bury St. Edmunds. De nieuwe stenen abdijkerk werd voltooid in 1032, mogelijk op tijd in opdracht van Knoet om te worden ingewijd op de 16e verjaardag van de Slag bij Assandun, die plaatsvond op 18 oktober 1016. Het heiligdom van Edmund werd een van de beroemdste en rijkste bedevaartsoorden locaties in Engeland. De macht van de abdij groeide toen ze jurisdictie kreeg over de westelijke helft van het graafschap Suffolk door de oprichting in 1044 van de Liberty of Saint Edmund, opgericht door Edward de Belijder, en een grotere kerk werd gebouwd in 1095, waarin de relikwieën van Edmund werden vertaald . Na de Normandische verovering van Engeland in 1066, plande de abt meer dan 300 nieuwe huizen binnen een rasterpatroon op een locatie die dicht bij het abdijgebied lag, een ontwikkeling waardoor de stad meer dan twee keer zo groot werd. Van koning John wordt gezegd dat hij een grote saffier en een kostbare steen in goud aan het heiligdom heeft gegeven, die hij mocht houden op voorwaarde dat het bij zijn dood aan de abdij werd teruggegeven.

Het heiligdom van Edmund werd verwoest in 1539, tijdens de Engelse Reformatie . Volgens een brief (nu in de Cotton Collection van de British Library ) werd het heiligdom beschadigd en werd zilver en goud met een waarde van meer dan 5000 mark weggenomen. De abt en zijn monniken werden verdreven en de abdij werd ontbonden.

Cult in Toulouse

In 1664 publiceerde een advocaat uit de Franse stad Toulouse een bewering dat Edmunds stoffelijke resten waren weggenomen uit Bury door de toekomstige Lodewijk VIII van Frankrijk na zijn nederlaag in de Slag bij Lincoln in 1217. De relikwieën waren toen door Louis geschonken aan de Basiliek van Saint-Sernin, Toulouse . De eerste vermelding hiervan is een relikwielt voor Saint-Sernin van rond 1425, die St. Edmund onder de relikwieën van de kerk omvatte.

In 1644, nadat de stad was gered van de pest van 1628 tot 1631, die de bevolking toeschreef aan de voorspraak van een heilige die bij de kerkelijke autoriteiten bekend stond als Aymundus, die volgens hen Edmund was. Uit dankbaarheid voor zijn verlossing beloofde de stad een nieuwe reliekschrijn te bouwen voor de overblijfselen van de heilige. Edmunds cultus bloeide daar meer dan twee eeuwen lang. De reliekschrijn, ontworpen door Jean Chalette, was van zilver en versierd met massief zilveren beelden. In 1644 werden de relikwieën geverifieerd en gecatalogiseerd voor bijzetting in het pas voltooide heiligdom, tegen die tijd was de oorsprong van de cultus vergeten. Het heiligdom van Edmund werd in 1794 tijdens de Franse Revolutie verwijderd . De relieken van de heilige werden in 1845 gerestaureerd in de basiliek van St. Sernin en in een nieuwe reliekschrijn geplaatst.

Relieken in Arundel

In 1901 ontving de aartsbisschop van Westminster, Herbert Vaughan, "bepaalde relikwieën" van de basiliek van Saint-Sernin. De relikwieën, destijds vermoedelijk die van St. Edmund, waren bedoeld voor het hoogaltaar van de Londense Westminster Cathedral, die toen in aanbouw was.

De aanvaarding van de relikwieën vereiste de tussenkomst van paus Leo XIII, na een aanvankelijke weigering door de kerk in Frankrijk. Bij hun aankomst in Engeland werden ze ondergebracht in de Fitzalan-kapel in Arundel Castle voordat ze naar Westminster werden overgebracht. Hoewel hun geldigheid was bevestigd in 1874, toen twee stukken werden gegeven aan Edward Manning, aartsbisschop van Westminster, werden er zorgen geuit over de authenticiteit van de Arundel-relikwieën door Montague James en Charles Biggs in The Times . De relieken bleven in Arundel onder de hoede van de hertog van Norfolk, terwijl een historische commissie werd opgericht door kardinaal Vaughan en aartsbisschop Germain van Saint-Sernin. Ze blijven vanaf 1993 in Arundel. In 1966 werden drie tanden uit de collectie relikwieën uit Frankrijk geschonken aan de Abdij van Douai in Berkshire .

Herdenking en attributen

Monument in Hoxne, Suffolk, dat de locatie markeert van een oude eik, vermoedelijk de plaats van Edmunds dood.

De feestdag van Edmund, koning en martelaar in de katholieke kerk is 20 november. Hij wordt ook herdacht in de Church of England, met een Lesser Festival op deze dag van het jaar. De specifieke attributen van Edmund zijn de pijl en het zwaard, aangezien hij een Engelse koning is, omvatten zijn attributen de bol en de scepter . Volgens de Oxford Dictionary of Saints kan zijn attribuut ook een wolf zijn.

Een stenen kruis in Hoxne in Suffolk markeert een vermeende locatie van Edmunds dood. Het monument vermeldt dat het werd gebouwd op de plaats van een oude eik die in 1848 viel en waarvan een pijlpunt in de stam was ingebed. Ongeveer vijfenvijftig Church of England parochiekerken zijn gewijd aan Edmund, misschien wel de meest opvallende is de Church of St Edmund, King and Martyr, Lombard Street in de City of London . De benedictijnse gemeenschap van de abdij van Douai heeft ook Edmund als beschermheer.

Middeleeuwse hagiografieën en legendes

Passio Sancti Eadmundi

Omstreeks 986 gaven de monniken van de abdij van Ramsey Abbo van Fleury de opdracht om Edmunds passie of verslag van zijn martelaarschap te schrijven. Volgens Abbo was St. Dunstan, aartsbisschop van Canterbury, de bron van het verhaal van het martelaarschap, dat hij lang daarvoor, in aanwezigheid van Æthelstan, had horen vertellen door een oude man die een eed had gezworen dat hij het zwaard van Edmund was geweest. toonder.

In Abbo's versie van de gebeurtenissen weigerde de koning de Denen in de strijd te ontmoeten en gaf hij er de voorkeur aan de marteldood te sterven. Volgens Ridyard kan Edmunds martelaarschap niet worden bewezen en kan de aard van zijn lot - of hij nu tijdens de strijd stierf of na de slag werd vermoord - niet worden gelezen uit de Angelsaksische kroniek . Ridyard merkt op dat het verhaal dat Edmund een wapendrager had, impliceert dat hij een krijgerkoning zou zijn geweest die bereid was om de Vikingen op het slagveld te bestrijden, maar ze erkent de mogelijkheid dat dergelijke latere verslagen tot "het rijk van hagiografische fantasie" behoren. .

dood Edmund's, volgens Ælfric van Eynsham

"Koning Edmund, tegen wie Ivar oprukte, stond in zijn zaal, en indachtig de Heiland, wierp hij zijn wapens uit. Hij wilde het voorbeeld van Christus evenaren, die Petrus verbood de wrede Joden met wapens te winnen. Zie! de goddeloze toen bond hij Edmund en beledigde hem smadelijk, en sloeg hem met staven, en leidde daarna de vrome koning naar een stevige levende boom, en bond hem daar met sterke banden, en sloeg hem met zwepen. Tussen de zweepslagen door riep Edmund met waar geloof in de Verlosser Christus. Vanwege zijn geloof, omdat hij tot Christus riep om hem te helpen, werden de heidenen woedend. Ze schoten toen speren op hem alsof het een spel was, totdat hij helemaal bedekt was met hun raketten, als de borstelharen van een egel (net zoals Sint-Sebastiaan was).

Toen Ivar, de goddeloze piraat, zag dat de edele koning Christus niet zou verlaten, maar met vastberaden geloof Hem riep, beval hij Edmund te onthoofden, en de heidenen deden dat. Terwijl Edmund nog steeds tot Christus riep, sleepte de heiden de heilige man naar zijn dood, en met één slag sloeg hij zijn hoofd eraf, en zijn ziel reisde gelukkig naar Christus."

Ælfric van Eynsham, Oudengels parafrase van Abbo van Fleury, 'Passio Sancti Eadmundi'

Abbo noemde een van Edmunds moordenaars Hinguar, die waarschijnlijk geïdentificeerd kan worden met Ivarr inn beinlausi (Ivar the Boneless), zoon van Ragnar Lodbrok . Na de afschuwelijke manier waarop Edmund stierf te hebben beschreven, vervolgde de Passio het verhaal. Zijn afgehakte hoofd werd in het bos gegooid. Terwijl Edmunds volgelingen hem zochten en riepen: "Waar ben je, vriend?" het hoofd antwoordde: Haar, haar, haar ("Hier! Hier! Hier!") totdat ze het eindelijk vonden, geklemd tussen de poten van een wolf, beschermd tegen andere dieren en niet opgegeten. De volgelingen herstelden vervolgens het hoofd.

Abbo kon deze gebeurtenissen rond Edmunds vertaling naar Beodericsworth niet dateren, hoewel uit zijn tekst blijkt dat hij geloofde dat de relieken naar Beodericsworth waren gebracht tegen de tijd dat Theodred bisschop van Londen werd rond 926. Na opgraving van het lichaam, er werd een wonder ontdekt. Alle pijlwonden op Edmunds onvergankelijke lijk waren genezen en zijn hoofd was weer vastgemaakt. De laatste geregistreerde inspectie van het lichaam in Bury St. Edmunds was in 1198.

De gelijkenis tussen de dood van Sint-Sebastiaan en Sint-Edmund werd opgemerkt door Abbo: beide heiligen werden aangevallen door boogschutters, hoewel alleen Edmund zou zijn onthoofd. Zijn dood vertoont enige gelijkenis met het lot van andere heiligen: St. Denis werd gegeseld en onthoofd en het lichaam van Maria van Egypte zou zijn bewaakt door een leeuw . De Engelse mediëvist Antonia Gransden beschreef Abbo's Passio als "weinig meer dan een mengelmoes van hagiografische gemeenplaatsen" en stelt dat Abbo's onwetendheid over wat er werkelijk met Edmund is gebeurd, hem ertoe zou hebben gebracht aspecten van het leven van bekende heiligen zoals Sebastian te gebruiken. en Denis als modellen voor zijn versie van Edmunds martelaarschap. Gransden erkende dat er enkele aspecten van het verhaal zijn - zoals het uiterlijk van de wolf die Edmunds hoofd bewaakt - die elders geen exacte parallellen hebben.

Wonderen van St. Edmund

Herman de aartsdiaken, die een uitstekende latinist was, schreef aan het einde van de elfde eeuw nog een hagiografie van Edmund, de wonderen van St. Edmund . Zijn oorspronkelijke tekst is niet bewaard gebleven, maar een verkorte versie maakt deel uit van een boek dat dateert van rond 1100, geproduceerd door de abdij van Bury St. Edmunds, dat is samengesteld uit de hagiografie van Abbo, gevolgd door die van Herman. De hagiograaf en muzikant, Goscelin, produceerde kort daarna een herziene versie van Herman's Miracles, die Herman persoonlijk vijandig gezind was. Beide versies zijn gedrukt en vertaald door Tom License .

andere legendes

pagina uit een verlucht manuscript
Een 12e-eeuwse afbeelding van het martelaarschap van Edmund ( Morgan Library & Museum, New York)

De Infantia Sancti Edmundi, een fictieve 12e-eeuwse hagiografie van Edmunds vroege leven door de Engelse kanunnik Geoffrey van Wells, stelde hem voor als de jongste zoon van 'Alcmund', een Saksische koning van Germaanse afkomst. 'Alcmund' heeft misschien nooit bestaan. De fictieve continentale oorsprong van Edmund werd later in de 15e eeuw uitgewerkt door de dichter John Lydgate in zijn The Lives of Saints Edmund and Fremund . Lydgate sprak over zijn afkomst, zijn geboorte in Neurenberg, zijn adoptie door Offa van Mercia, zijn benoeming als opvolger van de koning en zijn landing in Hunstanton aan de kust van North Norfolk om zijn koninkrijk op te eisen.

Edmund zou op 25 december 855 zijn gekroond door Humbert, bisschop van Elmham, op een locatie die bekend staat als Burna, mogelijk Bures St Mary in Suffolk. In die tijd fungeerde Burna als koninklijke hoofdstad. Biografische details van Edmund in de Catholic Encyclopedia, gepubliceerd in 1913, zijn onder meer dat "hij zichzelf vanaf het begin een modelheerser toonde, erop gebrand iedereen met gelijke rechtvaardigheid te behandelen en zijn oren sloot voor vleiers en onbetrouwbare informanten". Er stond geschreven dat hij zich een jaar lang terugtrok in zijn koninklijke toren in Hunstanton en het hele psalter leerde, zodat hij het uit zijn hoofd kon opzeggen.

Edmund is mogelijk gedood in Hoxne, in Suffolk. Zijn martelaarschap wordt genoemd in een oorkonde die werd geschreven toen de kerk en kapel van Hoxne in 1101 aan de Norwich Priory werden verleend. Edmund's martelaarschap, maar dit bew wordt verworpen door de historicus Peter Warner. De associatie van Edmunds cultus met het dorp is tot in de moderne tijd doorgegaan. Dernford in Cambridgeshire en Bradfield St Clare (in de buurt van Bury St Edmunds) zijn andere mogelijke plaatsen waar Edmund de marteldood stierf. In een voorwoord bij Lydgate's Life, waarin de banier van Edmund - met drie kronen op een blauwe achtergrond - wordt beschreven, wordt gezegd dat de kronen Edmunds martelaarschap, maagdelijkheid en koningschap vertegenwoordigen.

Volgens de folklorist Jennifer Westwood zou de oude houten kerk van St. Andrew, Greensted-juxta-Ongar, een rustplaats zijn geweest voor zijn lichaam op weg naar Bury St. Edmunds in 1013.

patronaten

Edmund is de beschermheilige van pandemieën en koningen, het rooms-katholieke bisdom East Anglia en de abdij van Douai. Engeland had vóór de Tudor-periode nooit een enkele patroonheilige ; tijdens de middeleeuwen werden verschillende heiligen beschouwd als een nauwe band met Engeland en nationaal belangrijk: St. Edmund; St Gregorius de Grote ; St Edward de Belijder ; St Thomas Becket ; en Sint-Joris . Van deze heiligen was Edmund het meest consequent populair bij Engelse koningen, hoewel Edward III het belang van George naar voren bracht toen hij hem associeerde met de Orde van de Kousenband .

In 2006 faalden BBC Radio Suffolk radiopresentator Mark Murphy en David Ruffley, het parlementslid voor Bury St Edmunds, in hun campagne om Edmund te herstellen als de patroonheilige van Engeland. In 2013 meldde BBC News een nieuwe campagne gelanceerd door Murphy en de brouwer Greene King, die is gevestigd in Bury St Edmunds, om St Edmund te herstellen als de patroonheilige van Engeland. Aanhangers van de campagne spraken de hoop uit dat een petitie zou kunnen worden gebruikt om het parlement te dwingen over de kwestie te debatteren.

In kunst

De verering van Edmund door de eeuwen heen heeft geleid tot een erfenis van opmerkelijke kunstwerken. Een geïllustreerde kopie van Abbo van Fleury's Passio Sancti Eadmundi, gemaakt in Bury St Edmunds rond 1130, wordt nu bewaard in de Morgan Library in New York City . De kopie van John Lydgate 's 15e-eeuwse leven, geschreven voor Henry VI van Engeland, wordt bewaard in de British Library. Het Wilton-diptiek werd geschilderd tijdens het bewind van Richard II van Engeland en is de beroemdste afbeelding van Edmund in de kunst. Het is geschilderd op eikenhouten panelen en toont Edmund en Edward de Belijder als de koninklijke beschermheren van Engeland die Richard voorstellen aan de Maagd en het Kind . De dichter John Lydgate (1370–1451), die zijn hele leven in Bury St. Edmunds woonde, presenteerde zijn twaalfjarige koning Hendrik VI van Engeland een lang gedicht (nu bekend als Metrische levens van heiligen Edmund en Fremund ) toen Henry kwam in 1433 naar de stad en verbleef vier maanden in de abdij. Het boek wordt nu bewaard door de British Library in Londen. Het martelaarschap van Edmund staat op verschillende middeleeuwse muurschilderingen die in kerken in heel Engeland te vinden zijn.

De heilige komt voor in een romantisch gedicht, Athelston, waarvan de 15e-eeuwse auteur onbekend is. In de climax van het gedicht baart Edyff, de zus van koning 'Athelston' van Engeland, het leven van Edmund na een rituele vuurproef te hebben doorstaan .

Zie ook

Opmerkingen:

voetnoten

bronnen

Verder lezen

Externe links

- Harley 1766 ( De val van prinsen )
- Royal 2 B VI ( Psalter en Hooglied 13e eeuw)
Engelse royalty's
Voorafgegaan door Koning van East Anglia
25 december 855 (trad.) - 20 november 869
Opgevolgd door